Sint Piterkerk

 SINT PITERKERK

“Daar rijst de stompe toren op

Van ’t statig kerkgebouw.

Daar heft zich aan de brede boord

Het dorp dat ieders oog bekoort,

Het welgelegen Grouw”.

Grou was in het jaar 1227 een groot en bloeiend dorp, omringd door hoge landen, als bouwland gebruikt en veel koopmanschap. Toentertijd bestond de tegenwoordige kerk al, wat op te maken is uit de bouwstijl, benevens uit de steensoort en afmetingen van de steen. De kerk is een van de  oudste, maar ook een van de  grootste dorpskerken van Friesland. Het gehele gebouw had een lengte van 32 meter. De verhouding toren, schip en koor hebben een verhouding tot elkaar zoals men bijna bij geen Friese kerk vindt.

Vaak wordt de vraag gesteld hoe het mogelijk is dat een klein dorp als Grou al zo vroeg een zo grote stenen kerk bezat. Een mogelijke reden is dat dit hetgevolg was van een door de bisschop van Utrecht uitgevoerde planning van een stelsel van moeder- en dochterkerken. Hierover schreven Hans Mol en Gilles de Langen in 2017 een uitgebreid artikel in "The Medieval Low Countries".

(Zie artikel hierover in de Leeuwarder Courant  als pdf)

De Sint Piterkerk op een muurschildering in het Scheepvaartmuseum Sneek

De kerk was ook een Seendkerk, d.w.z. dat er geestelijke rechtspraak werd gehouden door een bisschop. Veelal is een Seendkerk tevens een Dekenaatskerk, d.w.z. de oudste kerk van een gebied.

Er is in de loop van de tijd wel veel veranderd aan de oorspronkelijk geheel in tufsteen opgetrokken   en zeer rijk uitgevoerde kerk. De kerk is voor de Rooms Katholieke eredienst gebouwd en gewijd aan de heilige Petrus. De kerk kreeg dan ook de naam Sint Piterkerk.

Van de kerk zijn de volgende elementen te onderscheiden: een westtoren met zadel, een dak, 14e eeuw, de eigenlijke kerk van 6 traveeën of vakken en een versmald koor met halfronde sluiting, beide delen uit de 12e eeuw. Op het koor staat een achtkantig koepeltorentje uit de 18e eeuw, misschien ter vervanging van een vroeger angelustorentje. Er hangt een klokje in uit 1653 dat bij het begin en het einde van de dienst wordt geluid.

De noordzijde van de kerk is nog in hoofdzaak in de oude stijl. Aan de zuidzijde rest alleen nog onder de goot de gemetselde lijst met boogfries, vermoedelijk in de 16e eeuw aangebracht, toen de lijst van tufsteen was verweerd. In de 17e eeuw zijn in de zuidzijde grote ramen aangebracht en is het geheel met klein formaat steen ommetseld.

Aan het koor zijn aan de noord- en oostzijde de horizontale en klimmende boogfriezen nog te zien met onder de bogen kraagsteentjes, bewerkt als mensen- en dierenkopjes, alles in tufsteen maar sterk verweerd.

De oorspronkelijke hoofdingang was door de toren en is nog duidelijk zichtbaar. Na de Reformatie is deze ingang dichtgemetseld. Tussen het schip en het koor werd ter plaatse van de triomfboog een muur opgetrokken. In de 17e en 18e eeuw werd het koor gebruikt als Rechtshuis, daarna o.a. als kosterswoning en nu zijn er consistorievertrekken.

De huidige ingangen op het oost- en westeinde van de zuidgevel van de kerk zijn in de 15e eeuw aangebracht. Bij de restauratie in 1992 kwamen in de zuid- en noordgevel nog oudere ingangen bloot, aan de binnenzijde zichtbaar gelaten.

De vorm van de huidige toreningang dateert van 1673 met in het boogveld boven de deur een steen met de wapens van Burmania - Aylva en een opschrift dat herinnert aan het “rampjaar” 1672 en aan het ten geschenke geven van “eeskebomen” voor het kerkhof.

 Vanaf de goot om het grote kerkdak voert een koperen regenpijp het water naar een ondergrondse regenbak. De pomp werd vroeger gebruikt om in droge tijden de gezinnen van Grou, met name grote gezinnen die onder een klein dak woonden, van drinkwater te voorzien.
 

HET INTERIEUR

De ingang is in de zuidgevel bij de toren, waarboven een merkwaardige ezelsrugboog met in het boogveld een sierlijke baksteenvulling. Men komt dan in een voorportaal, van boven begrensd door de vloer van de “kraak”, die bereikbaar is via de trap op het eind tegen de noordmuur.

Hier bevindt zich een marmeren gedenksteen uit 1927. De gesneden bordjes met de jaartallen 1908, 1956 en 1992 verwijzen naar belangrijke verbouwingen en restauraties in die jaren.

 Het portaal wordt van de kerk gescheiden door een bijzonder fraai 17e eeuws schotwerk met panelen en gedraaide balusters, later gewijzigd, maar in 1992 weer in de oorspronkelijke stand geplaatst.

Tussen twee onder de kraak geplaatste ionische zuilen door en via een dubbele deur komt men in de kerk. Bij de restauratie in 1992 is getracht het interieur zoveel mogelijk terug te brengen in de toestand van voor de grote en veel bekritiseerde restauratie van 1908.

 In de as van de kerk loopt weer een duidelijk middenpad. De preekstoel is van zijn centrale en overheersende positie onder het orgel, weer naar de oude plaats aan de zuidmuur verhuisd. De muur onder het orgel is weggebroken en de orgelgalerij is weer duidelijk ondersteund door twee prachtige Toscaanse zuilen.

De vrijkomende ruimte kwam ten goede aan het liturgisch centrum dat hiermee zeer ruim bemeten is, een van de doelstellingen bij de restauratie. De vloer van de kerk en het portaal worden weer gedeeltelijk gevormd door de grafstenen van de adel, patriciërs en gegoede Grouster burgers, die voor 1992 onder de houten vloer verborgen lagen.

Een der stenen was al in 1927 uit de vloer gelicht en in een der wanden van het voorportaal ingemetseld, nl. de bijzonder fraai bewerkte steen van de familie Van Asperen.

HET MEUBILAIR

Aan de westzijde, tegen het schotwerk, staan twee  overhuifde banken, de zuidelijke met fraai snijwerk in Renaissancestijl van 1623, de noordelijke eenvoudiger van uitvoering en van 1656, nu de bank van de kerkvoogden. De banken tegenover de preekstoel zijn gestoelten waarin invloedrijke adellijke families tijdens de kerkdiensten zaten. De eerste met hangende overdekking waarop rijk gesneden wapenschilden met het jaartal 1660, is het Kamstra gestoelte. De wapens aan de frontzijde zijn van de echtelieden Dinia – Kamstra, links de ouders van de man, in een schild verenigd, Donia – Haitsma, rechts de ouders van de vrouw, Kamstra – Juckema.

 In de 18e eeuw hebben hier  drie elkaar opvolgende grietmannen van Idaarderadeel uit het geslacht Kamstra gezeten, vergezeld van de familie. De tweede meer naar het oosten, is ouder dan de vorige en heeft een op pijlers rustende kap met op de hoeken vazen van wonderlijke vorm en in het midden een versierde opstand met wapenschild, waarop het wapen van Roorda.

In de 17e eeuw hebben achtereenvolgens Abraham van Roorda en zijn neef Carel van Roorda het grietmansambt van Idaarderadeel bekleed. Met hun familie hebben zij in dit gestoelte de kerkdiensten bijgewoond. Grafstenen van deze Van Roorda’s liggen nu in het voorportaal. Nadat de familie uitstierf, kwam de bank in het bezit van de familie Hania, vandaar de huidige naam, het Hania gestoelte. In deze bank zit nu de kerkeraad. De overige banken hebben rugleuningen van mooi paneelwerk en sierlijk gesneden eindschotten. De banken zijn vaak hersteld en hebben onderdelen uit de verschillende tijden, de oudste is 17e eeuws.

DE PREEKSTOEL

De preekstoel is afkomstig uit de in 1985 afgebroken Nederlands Hervormde Kerk uit Gorredijk en in 1683 bij de bouw van deze kerk gemaakt. De kuip van de preekstoel heeft de bouw en versiering van de 17e eeuwse kasten:  gewrongen pilasters en toogpanelen.

Op deze zelfde plaats stond voor de restauratie van 1908 een preekstoel uit 1623. Deze werd in 1908 vertimmerd tot een grote preekstoel onder het orgel, die in 1992 weer is verwijderd. Panelen uit de oorspronkelijke preekstoel van 1623 vormen nu een deel van de lambrisering tegen de oostmuur van het liturgisch centrum, aan weerszijden van de deur naar de consistorie ruimten.

Van de dooptuin zijn de gedeelten links en rechts nog oorspronkelijk 17e eeuws, behorend bij de oude preekstoel, het voorste gedeelte is aangepast en nieuw.

HET TEKSTBORD

Boven de galerij of kraak bevindt zich een groot bord met het jaartal 1654, een geschenk van Carel van Roorda, van 1635 tot 1670 grietman van Idaarderadeel. Op het bord staan twee wetstafels, beschreven met bijbelteksten, het geheel omlijst door ornamenten, vastgehouden door engelenfiguren en gesteund door griffioenen met doodshoofd en klauw. Erboven een Cherubijnshoofd met daaronder in Hebreeuwse letters JHWH, een tetragram dat “JAHWE” betekent, de HEER.

Boven de wetstafels staat: Summa Iegis et Evangelij = De hoofdzaak uit Wet en Evangelie, waarna volgen resp. Mattheus 22 : 37 – 39 en Johannes 3  : 16. De Latijnse teksten links- en rechtsonder betekenen: “De wet is de spiegel van het kwaad” en “Het heil ligt in het geloof verankerd”.

Het wapenschild is gedeeld, heraldisch rechts Idaarderadeel en links Van Roorda, hetgeen symboliseert Carel van Roorda, grietman over Idaarderadeel. Onder het schild Carels wapenspreuk: “Ieder het zijne” .

HET ORGEL

Reeds voor de Reformatie beschikte deze kerk over een orgel, vermoedelijk een muurorgel. Volgens het register van Geestelijke Opkomsten 1580/1581 werd in 1573 hieraan een reparatie verricht. In 1654 bouwde Monsr. Meinardi een groter orgel waarbij het muurorgel werd gebruikt als rugpositief. Het had drie klavieren en een aangehangen pedaal. De orgelkast werd  volgens opschrift gemaakt door Pieters Kistemaker en droeg het jaartal 1655. Het orgel stond aan de westzijde op de nog aanwezige galerij, waar nu zitplaatsen zijn.

In 1853 werd dit orgel vervangen door een geheel nieuw orgel dat geplaatst werd op een nieuwe orgelgalerij aan de oostzijde. Het orgel  werd gebouwd door L. van Dam & Zonen, de derde generatie Leeuwarder orgelbouwers Van Dam. Het is een mechanisch orgel met 23 zelfstandige stemmen, verdeeld over twee klavieren en een vrij pedaal.

Het orgel was in 1908 in stemmig zwart gelakt en kreeg in 1992 zijn oorspronkelijke mahoniekleur weer terug. Op het orgel staan beelden. Allegorieën voor Godsdienst, Godsvrucht en Waarheid.

DE KRONEN

Een opvallende versiering vormen de vijf koperen kronen. Komend vanuit het portaal zijn de eerste en de derde nieuw, daterend uit 1992, beide een schenking  van de Hervormde Zusterkring. De tweede en ook de beide laatsten, die nog echte kaarskronen zijn, zijn laat 17e eeuws.

HET KOORGEDEELTE

Het koor raakte na de Reformatie in 1580 buiten gebruik en heeft tot 1823 dienst gedaan als Rechtshuis voor de Grietenij Idaarderadeel. Omstreeks 1870 werd het verbouwd en beneden kwam een kosterswoning, boven een consistoriekamer, die nog steeds als zodanig dienst doet. Het is een ruime kamer met eenvoudige betimmeringen , een plafond van houten delen en alles is geschilderd.

De grote ingebroken ramen, die het 12e eeuwse exterieur weliswaar ernstig hebben geschonden, brengen in de kamer een bijzondere sfeer. De koster betrok omstreeks 1965 de woning naast het catechisatielokaal zodat de benedenkamer vrijkwam en nu dient voor o.a. kleine groepen en incidenteel nog als rouwkamer. Deze kamer heeft een eenvoudige maar smaakvolle betimmering met bedschot, waarachter vroeger bedsteden, kastenwanden en een schoorsteenpartij was, alles essenhout gekleurd en een sober versierd stucwerkplafond, een voorbeeld van een typisch eind 19de eeuwse plattelandswoning. Van de vestibule zijn het plafond en de wanden uitgevoerd in rijk versierd stucwerk. Van de pilasters, met composiet kapiteel, zijn de voetstukken van granitowerk, evenals de vloer. Tussen de voetstukken een lambrisering van gemarmerd stucwerk. De vestibule is te dateren eind 19de, begin 20ste eeuw.

LITURGISCHE VOORWERPEN

Avondmaalstafel, lessenaar, kandelaar en piëdestal onder het doopbekken zijn van 1992.
De lijst met predikanten vanaf 1580.
De  kanselbijbel met zilverbeslag is in 1992 ingrijpend gerestaureerd. Blijkens inschrift op de sloten in 1778, geschonken door Grietman Cornelis van Scheltinga te Idaard.
Een zilveren doopbekken met het wapen Camstra en Latijnse tekst, is in 1709 geschonken door Grietman Tjalling Homme van Camstra

Bron: werkgroep Kerk naar Buiten (Raad van Kerken)

 Bezittingen Ned Hervormde Kerk