De winkel van Frits en Geeske Bethlehem

Voor versie in het Fries: klik hier

De winkel van Frits en Geeske Bethlehem

Henk Bethlehem

We verkochten in de winkel van alles. Je zou kunnen zeggen: Wat verkochten we eigenlijk niet. We hadden kop en schotels, sponzen, speelgoed, schaatsen. Het was een ‘Winkel van Sinkel’. Het was maar een kleine winkel. Als we iets niet konden leveren dan zorgden we dat we het kregen. Er waren wel meer van dit soort winkels in Grou. Zoals die van Pieter Ratsma, ‘Bazaar Ratsma’ in de Boog-strjitte. Die winkel was groter. En dan was er nog Douwe van der Zwaag. 
Vader is begonnen met de winkel in de crisisjaren in 1935. Moeder is geboren in Grou als dochter van Hinne de Jong en vader is hier in 1922 gekomen vanuit Terwispel. Hij was arbeider en zijn ouders waren turfwerkers. 

 

 Grou was een burgerlijk dorp. Er was toen al wat industrie: Halbertsma, Van der Made & de Vries, de zuivelfabriek.Vader en moeder kwamen beide al op twaalfjarige leeftijd van school en begonnen te werken bij de boer en in de huishouding. Maar vader wilde wel wat anders. Nu had een neef van hem, Rudolphy in Gorredijk, een grote winkel. Toen dacht vader: ”Zou ik niet een winkeltje kunnen beginnen met geleende spullen van m’n neef”. Ze konden een winkel/woonhuis achter de kerk huren. Zo is het  begonnen. 

We hadden een mooie grote schouw in de Hellingshaven liggen. Daarmee ging vader zeilend en roeiend, één keer per week, bij de boeren langs. Meestal op zaterdag. Hij was dan wel vaak lang onderweg omdat hij geen motor had. Later kwam er toch een motor: een Penta. Toen kon hij ook verder en ging hij bijna tot aan Warten en Earnewâld. Er waren toen nog al wat boeren. Alles wat de boeren nodig hadden konden ze bij vader kopen, zoals touw, bezems, boenders, klompen en koeiendekens. 
Op zaterdagmiddag kwamen de boerenknechten met de schouw naar het dorp. Ze lieten zich dan bij de kapper scheren, deden vervolgens wat boodschappen en tegen de avond kwamen ze dan vaak bij ons langs voor de laatste boodschappen. Bij moeder konden ze altijd koffie of soep krijgen. Het ging goed. Niet dat ze veel overhielden maar ze konden er van bestaan. Als er wat ingekocht moest worden dan betaalden ze de leveranciers direct. Vader had ook een fiets met een mand voorop en dan fietste hij naar Terwispel om weer spullen op te halen. Ook ging hij wel met de trein en de bus naar Dokkum. Naar Wüst, daar kocht hij klompen. Dan kwam hij met een heleboel klompen weer thuis. Klompen kocht hij ook wel bij De Boer in Leeuwarden. Klompen was een leuke handel. Zo scharrelden zij hun kostje bij elkaar tot de tweede wereldoorlog. 

In de oorlog waren er geen schoenen meer te koop. Dus dan kwam men bij ons om klompen. Die schilderde vader zelf op met teer of taan en dan tekenende hij er mooie krullen op in goud en zilver. We hadden een grote zolder en daar rook het altijd zo lekker naar die verf. In de winter sloeg hij ook wel spijkers onder de klompen wanneer de mensen op het ijs wilden. Bijvoorbeeld om  te ‘piksjitten’. Dan moesten er spijkers onder. Of leer, want dan sleten ze minder.

Kinderen voetbalden toen op klompen, maar mijn broer mocht niet mee voetballen, want dan konden zijn klompen kapot gaan. Maar toen kreeg vader in de gaten:  hoe meer kinderen er voetbalden, hoe meer kappen van de klompen er stuk gingen. Dus toen mocht hij wel meedoen. Handel! Zelf kreeg ik in de klompen altijd last van de wreef. Dus had ik klompen met een leren band. 

Voor de oorlog heeft vader ook wel bij Halbertsma gewerkt. Die zaten dan om mensen te springen om de schepen met hout te lossen. Je zag die schepen op het Pikmeer al aankomen. Dan ging de werfbaas Wieger Otter langs bij mensen waarvan hij wist dat ze zonder werk zaten of bij mannen die op Halbertsma’s Plein stonden te praten. Otter wees dan mensen aan en zei: “Jij komt mee en jij en jij”. Vader was er bijna altijd bij. Dan konden ze het schip lossen en hadden ze weer wat geld om handen. 

Veel klanten betaalden niet meteen. Die zeiden: “Wilt u het even bij de andere boodschappen zetten?” We hadden wel een bordje hangen: “Gelieve contant te betalen”, maar dat gebeurde bijna nooit. Eéns in de drie, vier weken moest ik dan bij de mensen langs die nog niet hadden betaald om het geld op te halen. Ik kreeg dan van vader van iedere klant die dan betaalde een kwartje. Van die kwartjes kon ik dan bij Van Stralen naar de film. 
We hadden in de winkel ook stolpen met knikkers en glaasjes. Wanneer ik verloor met ‘kûltsjeknikkerjen’ (kuiltjesknikkeren) deed mij dat niet zoveel, want de volgende dag kon ik wel weer een paar knikkers bij ons uit de winkel pakken. Die werden gelukkig niet geteld. En moeder maakte zich er ook niet druk om. 
Jappie en Jeltje de Vries begonnen op een gegeven moment in hun kruideniers-winkel aan het Halbertsma’s Plein, de voormalige winkel van Keidel, ook met touw en boerengerei. “Krammele” zei vader, “Ik verkoop toch ook geen suiker”. Daar was hij mordicus tegen. 
In die tijd fietste hij ook nog met de bakfiets naar Jirnsum, Akkrum, Raerd om z’n spullen te verkopen. Dan ging hij deur aan deur, maar dat was niet zijn ding. 
In 1951 zijn ze met de winkel gestopt en in 1952 is hij bij Halbertsma aan het werk gegaan. Toen verdiende hij f 20,= per week. Daar is hij nog 25 jaar geweest. 

                                                                                      

Henk Bethlehem  16-11-2017