De boerderij in het Wyllân/Wyldlân

Voor versie in het Fries: klik hier

 

De boerderij in het Wyllân. 

Een gesprek met H P. de Jong (9-11-2004) 

Vader is boer geworden in het Wyllân in 1926. Ik was toen bijna tien jaar. De kerk van Grou had daar land en liet er in 1925-1926 een nieuwe boerderij bij bouwen door timmerbedrijf Bertus Bijlstra uit Warten. Vader werd, bij inschrijving, de eerste huurder. De boerderij stond bij de sluisjes en al ons land lag aan de zuidkant van de Doekesleat. Van de Grêft tot de Doekehússtee en bij de Dwars Doeke Sloot. 

Er kon een praam door de Doekesleat, die was bijna anderhalve meter diep. De sluisjes mochten wij niet bedienen. Er woonde een man in Grou, Sjouke Jan de Vries, die in dienst was van het waterschap en die moest de molen bemalen en de sluisjes schutten. Er stonden borden bij met tijden van bediening. Maar wij moesten er ook wel eens langs en dan deden wij het schutten zelf. Wij konden tenslotte niet voor de sluisjes blijven liggen blijven met het hooi. 

Mijn ouders hielpen ook wel andere mensen door de sluisjes. Schepen uit o.a. Beets, Jubbega en Gorredijk. Die waren met een ‘bok’ (een praam met een scherpe voor- en achterkant) achter een vrachtboot `s morgens aangekomen, moesten dan de bok volladen met hooi en ‘s middags in de Grêft gaan liggen, want dan kwamen de vrachtboten weer terug uit Leeuwarden en dan konden ze naar huis gesleept worden. Op vrijdag kwam de vrachtboot altijd om vier uur. Ze konden dan soms nog net op tijd aanhaken bij de vrachtboten.  Soms was er geen sluiswachter meer en dan deden mijn ouders het schutten, want die wilden niet dat er ‘s nacht boten bleven liggen. Het was altijd ‘vreemd volk’, want het land werd in het voorjaar jaarlijks verhuurd en dan was het maar afwachten wie het land toegewezen kreeg. 


Wij huurden de boerderij met het land voor een periode van vijf jaar. Alle stukjes land werden destijds aangegeven in pondematen (een pondemaat is ruim éénderde bunder of hectare). Het Wyllân was één polder en die was bijna 600 pondemaat. Aan de Geau stond de windmotor die de hele polder bemaalde. Iedere winter liep het land onder water. Er werd na 1 november niet meer gemalen, zodat het land langzamerhand overstroomde. Het land stond dus bijna vier maanden onder water. Ik kan me geen winter heugen dat de polder niet onder water stond. Op ons erf kwam meestal geen water, maar het water kwam toch wel eens hoger dan normaal. In de schuur zat het hooi, daar konden we bijna 150 weiden hooi in hebben, maar door de druk van het hooi zakte de grond er wel. En we hebben wel eens gehad dat de onderste laag hooi in het water stond. Dan moest later de grond weer opgehoogd worden. Op 1 maart mocht de molen weer beginnen te malen. Eerder niet. Het waarom hoorde je niet. 
 

Maar droogte, dat was het allerergste. In het voorjaar is het soms van dat schrale weer en dan verdroogde alles. Wij zeiden dan: “Er ligt een laag papier op het land”. Dat jonge gras kwam er dan niet doorheen. Eerst moest er water op komen. Een nat voorjaar was voor ons het beste. Er werd niet voor juni gemaaid. De eerste paar jaren herinner ik me dat niet zo goed want toen zat ik op school en was ik de hele week in Grou. Op zaterdagmorgen kwam ik dan weer thuis, maar later hebben ze wel eens verteld dat het land dan eigenlijk met de zeis gemaaid zou moeten worden. Maar dat gebeurde niet, want een ‘mier’ (maaier) inhuren werd veel te duur.                                                    

Naarmate het land meer en meer opdroogde werden de koeien in de wei gelaten. Die maakten het land steviger en dan kon er met de paarden op het land gewerkt worden. Maar ik heb ook wel meegemaakt dat de paarden wegzakten in het land. Het was dan een hels karwei om ze er weer uit te krijgen. Het paard dat wegzakte direct losmaken van de machine of kar en het andere paard wegtrekken en dan moest het eerste paard zelf maar zien los te komen. Het ‘boeren’ ging er slecht en we kregen ook nog met de crisis te maken. Dat heeft vader ook de kop gekost.   

                                                                                

 

 

Na tien jaar werd vader van de boerderij gestuurd en kwam er een zoon van de kerkvoogd op de boerderij. Want de zoon van die kerkvoogd moest een plek hebben. Hij kon misschien niet iets anders krijgen, zodoende moesten wij van de boerderij. Toen zijn wij naar de Burd verhuisd op de  boerderij naast de Diepe Sloot. 
                                                                                                                                                                       

Er broedden altijd veel meeuwen in het Wyllân. Ze maakten hun nesten het liefst in het langere, ruige gras. De nesten waren eigenlijk kleine hoogten van zo‘n 15 tot 20 centimeter. Wij hadden met het maaien ook veel last van die nesten, want met het machinemaaien ging het altijd mis met de messen als er een nest in kwam. De meeuwen waren ook erg agressief. Ze pikten de paarden gewoon in de kop. Die hadden er een grote hekel aan. Met een emmer kon je zomaar een zestigtal eieren verzamelen. Ze waren niet lekker maar we deden ze door het kalveren- en varkensvoer.

Ook in de gesloten tijd zochten we de eieren nog uit het land. Harm Vollema, de politieman uit Grou, wist dat ook wel, maar hij zei: “Als jullie er maar voor zorgen dat ik het niet zie”. 
 

Zelf ging ik op zaterdagavond met de roeischouw naar Grou om me te laten scheren, dat kon toen tot tien uur ’s avonds. En daarna een biertje drinken. Gewoonlijk ging ik door de Trijehústersleat, de Biggemar en de Meer naar het dorp, maar ik sprak ook wel eens af met jongens uit de Burd en dan roeide ik naar Sitebuorren en dan door de Burd naar het dorp.