Het werk op de boerderij

Voor versie in het Fries: klik hier

 

Ytsje Huisman – v.d. Meer   9-11-2017

 

Bûthúshimmelje (stal schoonmaken)

Als de koeien en kalveren in het voorjaar in het land kwamen moest het stal schoongemaakt worden. Alles wat los was werd in de opvaart gegooid om te weken. De jongens speelden vaak met de meelbak in de opvaart. Ze konden er mee varen. De stal zelf werd ook nat gegooid want weken was het halve werk. Het in de week zetten deden we niet met een slang maar met water uit de stalpomp die midden in de stal stond. Zo’n pomp stond vaak op een wel. Met emmers en bakken gevuld met water werd alles nat gegooid. Was alles goed geweekt dan kon het schrobben beginnen. We gebruikten daarvoor bezems en borstels. Eerst deden we de zolders. Dan liep het water je zo lekker bij de mouwen in. Vervolgens kregen de muren en koeieschotten een beurt en als laatste de gruppen en de stenen vloer. Was de vloer van de koestal droog dan werd er wit zand in gedweild. In de schone meelbak kwam stro voor de “ûngetider” (arbeider die hielp bij de hooioogst) die er zo’n week of vier ‘s nachts in sliep. De tonnen, emmers en planken werden geschrobd en gedroogd. Zelf maakten we zomers wel eens een winkeltje in de schone stal.

 

Melken 

Toen ik, net dertien jaar, van school kwam moest ik al gauw het melken leren. Dus tegelijk met de anderen om half vier uit bed. We waren de eerste boer. Dat wil zeggen dat de melkboot van de zuivelfabriek het eerst bij ons kwam om de melkbussen op te halen en vader wilde niet dat Abe Veenstra, de melkvaarder, moest wachten. Maar als de bussen op het stap stonden dacht Abe: ”Ik kan morgen nog wel wat vroeger komen.” Daar kon vader niet tegen. Steeds maar vroeger. Hij  zei: “Abe kan om mij de pot op.” Abe was graag als eerste bij de fabriek, dan kon hij ook als eerste de bussen afleveren. Dat was bij de melkvaarders ook een beetje een sport wie er als eerste weer terug was. Het melken ging mij goed af. Vader waardeerde dat en toen ik dertien werd kreeg ik daarvoor mijn eerste horloge. Als de koeien voor het eerst buiten kwamen, moest het melken daar ook wennen. Vooral de vaarzen waren nog niet gewend en liepen vaak weg als het spantouw om de poten ging. De emmer met melk kon dan gemakkelijk omvallen. Daarom werden ze, met een touw om de hoorns, de eerste weken aan het hek vastgebonden. Eens in de twee weken kwam de monsternemer om de melk te wegen en een beetje van de melk in een flesje te doen. In een boekje werden dan de liters genoteerd en de volgende dag kwam hetzelfde boekje weer terug, maar nu met gegevens over het vet in de melk. We konden dan zien welke de beste koeien waren. Van die koeien hielden we dan de kalveren. Elke keer kwam er een andere monsternemer. `s Morgens na het melken bleven ze wel om een boterham mee te eten. Ze waren dan vaak ook al een hele poos onderweg.

 

De kuilbult 

Als het stalschoonmaken gedaan was, begonnen de mannen in mei al aan een kuilbult te denken. Er werd gemaaid met de maaimachine met twee paarden er voor. Dan het gras aanharken met de  “swylmachine”. Op die manier worden “wurdzen” (rijen) gemaakt. Dan het gras met hooivorken op de wagen laden en naar de plek van de kuilbult rijden. Daar één man nog op de wagen. Het gras op de bult gooien en de ander probeert de bult zo recht mogelijk op te zetten.

Was alle gras ‘aan de bult’ dan moest hij worden afgedekt met zoden en modder tegen wegspoelen. Moeder verbouwde wel boontjes en rapen op de kuilbult.

 

Bûtlân 

We hadden ook ‘bûtlân’. Laag gelegen land dat ‘s winters onder water stond. In het voorjaar werd het weer droog gemalen en dan zag het wit van de meeuwen. Die waren druk met nestelen en eieren leggen. Die eieren werden goed verdedigd. Als je in het land kwam kon je maar uitkijken. Je moest wat op je hoofd hebben, een pan of zo, want ze pikten je zo een gat in het hoofd. Eén stukje bûtlân moest nog met de zeis gemaaid worden. Dat was te nat. Er konden geen paarden op. Het was een sompig stuk land. Pieter Tjeerdsma (bijnaam Pieter Blikje) kwam dan met z’n schouw. Voorop stond een tent. Daar had hij het eetgerei en het drinken in en ook een komfoor met kooltsjesvuur en natuurlijk zijn zeis en ander gereedschap: ‘strikel, harspit en harhammer’. De zeis werd langzaam stomp tijdens het maaien en dan werd de strikel gebruikt om de zeis voor korte tijd weer scherp te maken. Maar dat kon niet de hele dag. Op de ‘harspit’ (leest) werd de zeis weer scherp geslagen met de ‘harhammer’. Een boer was niet blij als er ‘gehard’ moest worden. Het gezegde was: “Seine harje, lichem sparje, de boer narje”. (Zeis scherpen, lichaam sparen, de boer plagen). 

Het hooi werd ook allemaal handmatig verwerkt. Van het hooi werden ‘draachoppers’ (bulten) gemaakt. Er werden dan twee stokken onderdoor gestoken. Op die stokken werden de draachoppers dan naar de praam gedragen en als de praam vol was, kon men naar huis varen. 

 

De ûngetiid (hooioogst) 

We hadden het meeste land over het water. Het lag over de Mûzel, aan de andere kant van de Biggemar, op Trijehûs en op de Wytlok. De Wytlok noemden we het land op de hoek van de Grêft en de Folkertsleat. Praam en schouw waren voor ons onmisbaar. De paarden en machines die nodig waren in de hooioogst moesten daarmee ter plaatse gebracht worden. Gingen de mannen `s morgens vroeg na de thee al op weg naar het land, dan had moeder al een koperen ketel vol koffie met alles er in voor hen klaar gemaakt en goed ingepakt met kranten en een oude jas, om het warm te houden. Tegen etenstijd gingen moeder en ik ook nog met warm eten, wederom goed ingepakt, naar het land. De thee werd dan ook al meegenomen. Zo brachten we dan met de schouw het eten. Tegen een polderdijkje lagen en zaten we dan met zijn allen te eten. Dan hielpen we vaak ook nog even. De mannen ‘tymje’ (hooi op een hoop trekken) en wij de laatste resten hooi aanharken. Maar wij moesten dan al gauw weer naar huis om te melken. De mannen konden ondertussen bekijken of ze nog een praam vol hooi konden krijgen en die dan mee terug naar huis nemen. En die dan liefst ‘s avonds ook nog legen. Vader was heel druk tijdens de hooioogst. Hij had bijna geen tijd voor eten en drinken. Was het slecht weer dan was hij erg “weerziek”. Als alle hooi dan eindelijk in de schuur was dan werd er ééntje op genomen. Dan was de grootste spanning voorbij. 

 

Headolle.

We moesten ook wel eens ‘headolle’ (vanwege alle drukte noemde men dat ook wel eens de tweede oogstperiode). Het eerste hooi wilde, tot overmaat van ramp, ook wel eens gaan broeien. Als dat te ruiken was in de schuur moest de ‘hearoeder’ (hooisteker, opnemen van de temperatuur) komen, want als het te warm werd kon er brand ontstaan.

Om dat te voorkomen had de verzekerings-maatschappij Jan “OBAS” aangesteld. Die kwam dan en op de plaats waar ze dachten dat het hooi het warmst was, werd de “roede” er in gestoken. In de punt van de roede zat een thermometer en als die 60 of 70 graden aangaf dan moest er gegraven worden. Met de scherpe ‘splitlodde’ (schop) werd een vierkant gat gegraven en het hooi er uit gehaald.

Eerst ging het  wel, maar hoe dieper men kwam, hoe meer last men kreeg van de benauwde broeilucht. Ook degenen die het hooi overnamen, kregen hun deel van de stank. De graver deed dan vaak een zakdoek voor de neus en moest zo nu en dan uit het gat naar boven voor wat frisse lucht. Iedereen was blij wanneer ze bij de bron van het kwaad waren. Dan kwam er een hek over het gat met weer wat hooi er boven op. Anders zou het hooi te gauw afkoelen en kon er schimmel in komen. Was alle warmte er uit dan mocht het hooi weer in het gat om dat op te vullen. 

 

Dongje (bemesten) 

Na de hooioogst moest de mest over het land worden gebracht. Het ging vaak met “gaande” wagens. Dat hield in dat een persoon de wagens laadde en een ander met de mest naar het land reed. De mest werd er op het land met een hekkel van de wagen afgehaald en op bulten geschept. Steeds een eindje verder. Als de wagen leeg was dan weer naar huis en dan het paard voor de ondertussen volgende volle wagen spannen. Dit ging zo door tot de mestbult weg was. Voor de paarden was het erg zwaar om de wagen met mest van z’n plek te krijgen. Was de bult weg dan moesten op het land de bultjes verstrooid worden. Later kwam de ‘eide’ (eg) er over om het fijn te krijgen. Er kwam ook wel terpmodder door de mest heen. Soms waren ze er wel vier weken mee bezig.

 

Gerskje (gras halen)

Als de koeien in de herfst weer op stal kwamen moest er, zolang mogelijk, nog gras voor de koeien komen. Dat betekende dat we elke dag met de praam naar de Wytlok gingen om gras te halen. ’s Morgens na de thee vertrekken. Vader maaide het gras met de zeis en ik harkte het gras dan op rijen. Daarna kwam het gras in een speciale grote kruiwagen. Met een stuk touw liep ik dan voor op om de kruiwagen te trekken. Zo werd het in de praam bracht. Dat deden we net zo lang tot we genoeg hadden. Dan de motorboot voor de praam en naar huis. Gedurende het melken werd de koeien gras en ook wat hooi gevoerd. `s Morgens onder het melken ging het precies zo. Vervolgens weer na de Wytlok om een nieuwe praam vol gras. Net zo lang tot het land kaal was. Dan kregen de koeien hooi en kuil.