Wie kwam er aan de deur

Voor versie in het Fries: klik hier

Wie kwamen er aan de deur?

Ytsje Huisman – v.d. Meer   

Bij ons kwamen twee winkellui uit Grou aan de deur. Hette Boonstra en Gerrit Adema. Die kwamen dinsdags langs te vragen. Dan schreven ze in een boekje wat moeder wilde hebben en een paar dagen later brachten ze de boodschappen. De ene week kwam Boonstra en de andere week Adema. We moesten na schooltijd ook wel eens wat meenemen naar huis. Dat haalden we dan uit de winkel. We gingen liever naar Gerrits-Hieke dan naar Boonstra. Van mevrouw Boonstra kregen we namelijk een plat vijgje en van mevrouw Adema een handvol zuurtjes. Dat hadden we natuurlijk veel liever. Beide winkels waren dicht bij elkaar. De winkel van Boonstra op de plaats waar nu de herberg “Oer ’t  Hout” staat. 

Iedere dag hadden we een bakker aan de deur en op dinsdag en zaterdag zelfs twee. Moeder zei wel eens: “Wat moet ik nu weer kopen”. Dus ze nam van iedere bakker maar wat. Wij waren met z’n vieren als kinderen, dus moeder kon wel wat gebruiken. Er kwamen de volgende bakkers: Halma, Hiemstra (later Buma) op de hoek van de Waachshaven/Halbertsma’s Plein. Bakker Pijlman, die naast Adema woonde. Posthuma in de Lytse Buorren en Andringa kwam ook langs. Andringa woonde achter de kerk naast de dominee. Later was Buma gevestigd in de steeg achter smid Roodbergen. Iedereen kwam met de schouw en Halma had zelfs een kleine motor. We noemden zijn bootje: “De Breabak”. 

Er kwamen bij onze geen ‘Sint Piterrinners’ (lekkernijen t.g.v. Sint Piter). Wij woonden te ver weg. Deze ‘rinners’ moesten dan dezelfde weg nemen die wij 's winters langs moesten (dus zo’n drie kwartier lopen). Dat deden ze niet. 

Er kwam geen slager bij ons aan de deur. Vader ging zaterdags altijd naar slager Buwalda wanneer hij het melkgeld van de fabriek had opgehaald. Ieder jaar werd er bij ons wel een varken geslacht. Het varken ging in de herfst met de praam naar de Boerewâl, met een stuk touw om een achterpoot. Dan kon hij niet weglopen, want als een varken hard begint te lopen dan kan men hem bijna niet bijhouden. Dan liep hij naar Siebe Uilkema, de noodslachter. Die slachtte hem en dan kwam alles een paar dagen later in witte doeken weer bij ons thuis. Hij maakte ook verschillende soorten worst. Het spek kwam eerst op planken in de kelder te liggen en werd ingezouten. Kwam dan boven de kachel in het spekhok te hangen. Het spek was anders dan tegenwoordig. Het was altijd droog spek. Siebe bracht ook wel eens worsten bij ons. Die moesten wij dan voor hem roken als er ruimte was in het spekhok. Wij hadden een kookkachel en moeder kon goed stoken en roken, zei hij. Dat moest met hout en turf. Dat was het lekkerst. Met steenkool kon men niet roken. Dat was geen goede rook. Later haalde hij de worsten met de schouw weer op. 

Er kwamen twee mensen met ‘lapkes’ (manufacturen) bij ons langs. De een was Jan Faber uit Wergea. “Kâlde Jan”, zei men omdat hij altijd in zijn handen stond te wrijven. En Lardus IJsselstein, ook uit Wergea. Zij kwamen 's zomers één keer in de zes tot acht weken langs. Ze hadden een grote mand met een kleed erover met een touwtje daar omheen en aan de handvaten vastgebonden. In de keuken lieten ze zien wat er allemaal in de mand zat. Lardus had meest kleding, ondergoed en dergelijke, schorten en beddengoed. Hij zei een keer tegen vader: “Als mijn zoon uw dochter een onderbroek mag aanpassen dan krijgt u deze gratis”. Moeder zei: “Daar komt niets van”. Maar ik was intussen al vertrokken. Later heeft zijn zoon Sjoerd de zaak overgenomen. In Grou woonde geen ‘lapkekoopman’. 

Wel kwam uit Grou Frits Bethlehem bij ons met boerengerei: vorken, bezems, klompen, touw en zo. Bethlehem was een broer van moeder en had een winkeltje achter de kerk in de Kerkstraat. Ook kwam er een groenteboer met een bootje uit Warten en uit Earnewâld kwam 's zomers een man met boontjes en in de herfst met aardappels. Van die laatste kochten we de winteraardappels.

Moeder had zelf ook een groentetuintje. Om de kuilbult heen zaten zoden en daar kwam modder boven op. En die modder was moeders groentetuintje. Ze verbouwde er boontjes en rapen. De rapen bewaarden we in het zand en de boontjes werden ingelegd in een kruik. Datzelfde gebeurde met zuurkool. Twee soorten kool, dan zout er op, een plankje erover en daar weer een dikke steen op. De boontjes kwamen ook wel in wekflessen. Dan werden de wekflessen eerst in een grote ketel met water gezet en de boontjes gekookt. 

Op het erf hadden we nog peren- en appelbomen. We hadden één boom waar peren en appels aanzaten. Die was geënt. Er was ook een boom met ‘bargemotsjes’. Dat waren lekkere peertjes, maar die moesten direct opgegeten worden, anders kreeg je buikpijn. Er moest flink geschild worden en dan kregen we iedere dag perenmoes. De ringenetten (appelsoort) konden wel langer liggen. Die werden op de zolder neergelegd en daar aten we zo nu en dan van. 

Je woonde achteraf en dan moest je voor jezelf zorgen, niet waar.

9-11-2017