De bakkerij

Voor versie in het Fries: klik hier

 

Bakker Sybren Andringa vertelt: 


`s Morgens om half drie begonnen we te bakken. Om acht uur vlug even naar huis om te eten en dan om negen uur venten. Later mochten we niet voor tien uur beginnen te venten. De politie hield ons steevast in de gaten. Er is ook een tijd geweest dat we ‘s morgens niet voor zeven uur mochten beginnen te bakken. Dan stonden er drie bakkers te wachten tot de kerkklok sloeg en dan begonnen ze pas te bakken. We ventten `s morgens eerst in de dorpskom en ‘s middags gingen we met de schouw over het water. Soms deden we dat laatste ook al `s morgens. Ik was altijd blij als ik `s morgens de bakkerij uit kon, lekker naar buiten en het veld in. Ik had wel bij de waterpolitie gewild, maar ik moest bakker worden. 
Onze schouwen lagen altijd in de haven bij de tuin van de dominee. De grote boot eerst en de zeilschouw bonden we er achter. Over het water betekende in de oorlog altijd roeien. We hadden toen wel een motor, maar in de oorlog kregen we van de Duitsers geen toewijzing voor benzine. De zuivelfabriek wel, maar wij niet. Vanuit de fabriek werd ‘s winters het ijs met sterke boten gebroken, maar zo’n boot hadden wij niet. Vader ging, als er ijs lag, met een pikhaak voor in de schouw staan. Hij heeft toen bij David de Wit op ‘De Pôle’ een brede schouw laten maken. Vader zei: “Maak maar een mooi breed exemplaar.” 
Over het water hadden we verschillende routes. Iedere route deden we drie keer in de week. De ene route op maandag, woensdag en vrijdag en de andere op dinsdag, donderdag en zaterdag. Op maandag gingen we eerst naar De Blieken en vervolgens over de Pikmar naar Pean, Goïngahuizen, Sitebuorren en dan door de Burd weer naar Grou. Op dinsdag gingen we naar klanten aan de Wergeasterfeart. Tot aan de Tútse (brug). Dan naar Hendrik Keidel aan de Biggemar en zo de Boarchsleat in. Die was toen nog open. Verder naar de klanten in het Wyllân en op Trijehús. Dan de Ultsjbuorsterfeart en door de Mûzel weer naar de Biggemar.

De route naar de Modderige Bol voeren we tot aan de familie Romkema. Die woonden bij de tweede sluis. Dat was een heel eind roeien. Daar roeiden we dus drie keer in de week naar toe. Eens hadden we een keer te weinig broden. Het was een grote huishouding en ze kochten altijd zes broden, maar we hadden toen nog vijf. We dachten dan krijgt ze vandaag ééntje minder. Maar nee:  geen vijf, maar zes broden. Toen zijn broertje Tjeerd en ik naar Grou gevaren om één brood op te halen en te brengen. Dat was toen al wel met de motorschouw. 
De roeischouw had een bruin zeiltje. Soms voeren we in de winter voor de wind weer naar Grou terug en lagen er allemaal ijsschotsen in de vaargeul. Die konden, als wij er aankwamen, geen kant uit en dan schoven ze soms bij ons in de schouw. Dan moest je vlug die schotsen er weer uitgooien. Het spatwater kon ‘s winters op je kleren vastvriezen. Een keer heb ze vader vlakbij Pean moeten loshakken. Hij leek toen op de verschrikkelijke ijsman. 
Als het heel hard waaide dan waren de golven op de Ee te hoog. We gingen dan via Soarremoarre en de Botmar naar de Jansleat. Op de Botmar waren de golven minder hoog. 
Wanneer veel landerijen onder water stonden dan bracht collega-bakker Hans de Jong de broden wel eens naar de zuivelfabriek. Dan kwamen ze in de melkbussen en namen de melkvaarders de broden mee. Dat deden wij niet. Vader wilde per sé naar de klanten toe. Soms had bakker Hans de Jong zoveel in de melkbussen gestopt dat, wanneer wij aan de deur kwamen we ook nog eens niets verkochten. 
We hebben het meegemaakt dat klanten op zaterdag drie bakkers aan de deur kregen. Bij de families Arendz en Izaak de Haan op het eind van de Blieken kwam ook bakker Van Dellen uit Idaard. Zelf maakten we mee dat op zaterdag op Cuba ook de Wartenster- en Earnewâldster bakkers kwamen. De concurrentie was verschrikkelijk groot. 
Als ‘s winters het ijs sterk was dan kwamen we altijd met de grote slee bij de klanten. Vaak gingen we dan met z’n tweeën. We bonden dan een touw voor aan de slee, zodat de tweede man kon trekken. ‘s Winters hadden wij ook het paard van boer Douwe Snoek bij ons op stal staan. Snoek hoefde het dier dan niet te gebruiken. Wij gaven het paard voer en als er sterk ijs was met sneeuw, kwam het paard voor de slee. 
Het venten hield op toen er in de jaren vijftig wegen door het Lage Midden en het Leechlân werden aangelegd en de boerderijen over de weg te bereiken waren. 
Met de auto zijn we nog een paar jaar naar Goïngahuizen gereden om te venten. We moesten dan bij de familie Kroes nog met een schouw over het water. Als het ijs sterk genoeg was, gingen we met de auto over. Eens lag er veel sneeuw op het ijs en boer Huisman bood z’n hulp aan met een tractor met een sneeuwschuiver. Hij zou voor ons de baan er even door maken. Wij met de auto achter hem aan. Maar bij Romkema zakten we zo maar door het ijs. Eerst de rechter- en toen de achterkant van de auto. Even lagen we op de zijkant en kon ik vader nog net bij de hand pakken en hem uit de auto krijgen. Vervolgens zakte de auto door het ijs. En wij moesten tussen de schotsen door ‘zwemmend’ naar de kant. Met behulp van takels van de families Kroes en Romkema heeft de tractor de auto letterlijk weer ‘boven water’ gekregen. Vader heeft die hele nacht aan de auto gesleuteld en de volgende dag konden we weer venten. Tegen de avond hield hij er toch nog mee op omdat er teveel water in de benzinetank was gekomen.