Naar school vanaf Sitebuorren

Voor versie in het Fries: klik hier

 

Yke de Groot-Tilma aan het woord.

 

Wij woonden op Sitebuorren, een buurtschap onder Grou. Mijn oudere zuster Roelie is de eerste paar jaar in Warten naar de lagere school geweest. Vader bracht haar dan op maandag en ze bleef er de hele week. Ze logeerde dan bij oma Yke, die in Warten woonde. 
Later ging Roelie in Grou naar school en toen ging ik ook mee. We moesten `s morgens heel vroeg weg. Het was soms nog donker. We liepen altijd op laarzen. Bij Wiebren Wartena (boerderij Grut Blijema) moesten we over de Grêft worden gezet. Hun zonen Tjeerd en Pieter liepen met ons mee naar Grou. Eerst liepen we een eind over de polderdijk naar het water de Wide Burd. Bij Siekmans (De Burdskop) lag een bruggetje en bij Beek (boerderij Nij Lyts Tjallinga) lag er weer een.

Er waren destijds veel van die bruggetjes omdat de boeren met hun pramen via die vaarten bij hun land moesten kunnen komen om hooi en gras op te halen.

Vervolgens moesten we een eind omlopen, want dan stonden we voor een groot stuk  rietland, waar we niet doorheen konden. Dan kwamen we in het land van de familie Jonkman (boerderij Binnema), daar liepen we over het erf. Er stonden bomen met hele lekkere appels waar we natuurlijk wel eens lekker van aten. Ons pad ging verder bij Tjeerd Hiemstra langs. Die woonde in een klein woonscheepje in de Wide Burd lag. Hij hield ook een paar beestjes in een hok.

Verder door het land. In dat deel van onze tocht lagen op verschillende plaatsen planken met een leuning over de sloot. Zo bereikten wij de boerderij Ekema. Vandaar liepen we weer over de polderdijk. En ook hier weer bruggetjes.

Het Prinses Margrietkanaal en het recreatieoord ‘Yn ‘e Lijte’ waren er toen natuurlijk nog niet. Onze reis ging verder door de ‘Haanskrite’. Als we bijna bij de Witte Boerderij waren (boerderij gelegen naast restaurant De Vrijheid), moesten we over het laatste bruggetje. Dan kwamen we bij Snoeke-Aachje. Zij woonden op de Witte Boerderij. Aachje zette ons altijd over het water de Grou. We, dat was het volgende groepje kinderen: Tjibbe Stelwagen, Jan Leistra (Jan Lyster), Tseard en Pieter Wartena, Jelle v.d. Wal met zijn broer en mijn zuster Roelie en ik. In het dorp aangekomen, liepen we dan naar school. Alles bij elkaar deden er een uur over om van Sitebuorren in Grou te komen. 

 

Aachje haalde onze ‘s middags ook weer over. Op de wal hing een toeter en wanneer we er op bliezen haalde ze ons op. Uit school hadden we ook weer ongeveer een uur nodig om  weer thuis te komen. Vooral in de late herfst, de winter en het vroege voorjaar was het vaak al donker wanneer we thuis kwamen. Vader heeft geprobeerd, omdat we zover moesten lopen, daar een vergoeding voor te krijgen. Hij is toen op een fiets met een kilometerteller het pad langs gegaan dat wij dagelijks moesten lopen. Die vergoeding werd toegewezen, want het was iets meer dan vijf kilometer.

In Grou hadden we een ‘kosthuis’ waar we tussen de middag altijd aten. Dat was bij Sjoerd en Trijntje de Jong. Zij hadden een slagerij achter de kerk. We gingen wel iedere namiddag terug naar huis. 

In de herfst, wanneer de Boarch- en Haanslanderijen onder water liepen konden we niet thuiskomen en dan bleven we de hele week bij Sjoerd en Trijntje. Dat was voor ons een ramp. Vaak liep ik dan samen met (klasgenote) Heabeltje van der Meer maar wat rond in het dorp. Beide onwennig.

In ons kosthuis waren we net zo lang tot, aan de eind van de winter, het land weer ‘boven water’ kwam en we weer naar huis konden lopen. We gingen indertijd ook op zaterdag- morgen naar school. Wanneer de school uitging haalde vader ons op met een schouw met aanhangmotor. Och, dan waren we zo blij. Hij moest op zaterdag altijd naar Grou om het melkgeld op te halen bij de zuivelfabriek. Soms ging hij nog even naar Gerrit Adema om de boodschappen te betalen. Dan kwam hij bij ons kosthuis en dan moest er natuurlijk ook nog betaald worden. Ik weet wel dat hij eens zei: “Nu is de helft van het melkgeld al op”. Eindelijk gingen we dan naar huis.

Daar lag dan al werk voor ons klaar. We hadden toen al een melkmachine en die moest uit elkaar gehaald, schoongemaakt en weer in elkaar worden gezet. Dan de schuur aanvegen en ‘sturttiizje’ (het haar van de koeienstaarten uit de knoop halen). Vervolgens nog één dag op Sitebuorren en dan werden we op maandag weer door vader naar Grou gebracht. 
 

Een keer, toen we wat eerder waren dan de andere kinderen, zaten we op een leuning van zo’n bruggetje te wachten. De leuning knapte en wij allemaal achterover in die sloot. Een vieze, modderige sloot. Roelie, die toen al naar de ULO ging, zou ons even helpen en toen viel ook haar tas in de sloot. We moesten als een stelletje verzopen katten weer terug naar huis. 
Wanneer het ijs sterk was gingen we ook wel op de schaats naar Grou. Dan schaatsten we over de Boarchsleat. Die was smaller dan het water de Burd en het ijs was er sneller sterk.
Later toen de weg door de Burd werd aangelegd, kregen we een auto en kwam er een garage bij Pieter Wartena op het erf. Daar hadden we dan ook onze fietsen staan. Vanaf die tijd is het allemaal veel gemakkelijker geworden.