Koppermaandag

Koppermaandag of Koppertjesmaandag wordt in Wikipedia als volgt omschreven: het is de eerste maandag na Driekoningen (6 januari). Op die dag hielden de gilden traditioneel een feestdag. De gildebrieven werden voorgelezen en de privileges die de leden van het gilde genoten, werden opgesomd. Vervolgens trokken de gildelieden de stad in om geld in te zamelen dat vervolgens werd verbrast. Zo sloten zij de donkere periode rond de kortste dag af. Tegenwoordig wordt de term alleen nog gehanteerd in de grafische industrie. Drukkers en uitgevers sturen vaak een koppermaandagprent om het nieuwe jaar in te luiden. Ook in Grou werd Koppermaandag gevierd.                      

In Grou werd op Koppermaandag door de ‘gecommiteerden’ van de zeven ‘buurten’ rekening en verantwoording afgelegd. Buurten (zie ook bij Dorp en bewoners - Buurten) of burenplicht betekende de plicht om als gezamenlijke buren onderling hulp te verlenen, goede vriendschap te onderhouden en bij overlijden van een buurtgenoot alle werkzaamheden op zich te nemen tot en met de begrafenis van de overledene. De inkomsten van de ‘buurten’ bestonden uit de contributie van de buurtgenoten en gelden die ontvangen werden van hen die wensten vrijgesteld te worden van hun buurplichten. De zeven buurten waren: Zevenhuizen, Houtmolenbuurt, Kleine Buren, Bauke Douwes-buurt (Zuiderkade), Duitslandbuurt, Kerkhofbuurt en de Rijkeluisbuurt (om It Grien). Koppermaandag begon ’s morgens met de kinderen, die kettingen langdurig over straat sleepten. Hoe gladder de ketting werd, hoe groter de roem. Klokslag twaalf uur betekende het einde van het kettingslepen. Op dat tijdstip kwamen “in onderscheidene herbergen” de verschillende buurten bijeen.

Een beschrijving over de gang van zaken zo rond 1870, wordt als volgt verwoord: “Men gaf graag gehoor aan de oproep tot samenkomst, want de rekening sloot steeds met een batig saldo. Dit saldo werd, op een klein bedrag (boekgeld) na, ‘in genoegen verteerd’. Als in den loop van den middag de gildezaken aan kant zijn, begint ’t feest ter ere van de dooden. Een feest dat, hoe vreemd ook, toch noch eene lichtzijde kan hebben, want hoe grooter de pot, hoe grooter het feest, hoe grooter ’t feest, hoe minder dooden in het afgeloopen jaar zijn begraven”.

Begrafenisverenigingen hebben later de taak tot het regelen van een begrafenis overgenomen. In Grou waren oorspronkelijk twee verenigingen als uitvloeisel van de verschillende buurten, te weten “De Lêste Eare” en “Helpt Elkander”. In 1932 zijn beide verenigingen samengegaan onder de naam “De Lêste Eare”.

Bron: Diverse exemplaren weekblad Frisia (1896-1977)