Dorpsontwikkeling

“Grou is ontstaan als een van oorsprong agrarische terpnederzetting in het grensgebied tussen veen en klei en ontwikkelde zich vanaf de 15de eeuw dankzij de talrijke waterverbindingen tot een dorp waarin handel en scheepvaart een overheersende rol speelden. Wanneer deze bestaansbronnen, onder invloed van het teruglopen van het vervoer over water, in de tweede helft van de 19de eeuw aan belang inboeten, treedt hiervoor de opkomende industriële nijverheid in de plaats, terwijl daarnaast de woonfunctie tot ontwikkeling komt. De sterke relatie die Grou heeft met het omringende water leidt er tenslotte toe dat het dorp zich in de 20ste eeuw tevens ontwikkelt tot een belangrijk watersportcentrum.” (RDMZ, 1990)  

Kwelderland ca 900 na Chr. Bron: J.H. Brouwer

Dorp overgeleverd aan natuurgeweld

“Het is moeilijk na te gaan hoe oud Grou precies is. Opgravingen hebben aan het licht gebracht dat er bij het begin van onze jaartelling al sporadisch mensen hebben gewoond. Maar van een blijvende nederzetting zal toen nog geen sprake geweest zijn.

De amateur-archeologen Haytema (Wergea) en Jan de Wal uit Grou hebben bij grondboring op de grote terp midden in Grou vast kunnen stellen dat deze terp in de periode van het jaar 600 tot 1000 is aangelegd. Hetgeen dan bij benadering het ontstaan van Grou zal zijn.” (Hoogland, 1986) Deze conclusie werd recentelijk bevestigd door de vondst onder het Grien in het dorpscentrum. De Grouster rapporteert hierover: 

GROU 18 jan. 2018 - Bij de herinrichting van het Halbertsma's Plein in Grou hebben archeologen een bijzondere vondst gedaan. Het gaat om een vroegmiddeleeuws (7e of 8e eeuw) graf, waarbij het skelet ter aarde is besteld in een uitgeholde boomstam. Dit zogenaamde boomstamkist-graf heeft een noord-zuidelijke richting, wat duidt op een niet-christelijke begrafenis. Rond de voeten van het skelet zijn nog leren stukken van de ‘schoenen’ gevonden, maar bijgiften zijn niet aangetroffen. Aanvullend onderzoek moet duidelijk maken of er in de terpresten onder het plein nog meer vondsten zijn te verwachten. De vindplaats wordt verder onderzocht. 

Uit eerder bodemonderzoek (Tuinstra, 2005) bleek dat bewoning rond de 9de eeuw is begonnen. Dat was enkele eeuwen voor de aanleg van de zeedijken. Het bestaan was zwaar door het steeds weer vanuit de Middelzee opdringende zeewater.  

Anderhalve eeuw eerder gaf ook Eeltje Halbertsma zijn visie op deze vroege periode: “Wij lezen in de oude Schrijvers van Friesland dat Idaarderadeel een laag, moerassig land was, dat weinig of niets opbragt; en geen wonder, daar er geene zeedijken bestonden, zoo waren de kadijken nutteloos, dewijl hij iederen hoogen zeevloed deze toch overstelpt werden; en deze kadijken zijn in deze oorden onmisbaar, zal er eenig gewas van waarde op het land komen. De meeste nering bestond nu in visschen en vogelvangen, van welk laatste bedrijf de menigvuldíge overblijfselen van vogelkooijen in deze oorden alsnog getuigen zijn. Idaard, als hooger gelegen en omringd door betere kleigronden, werd nu de hoofdplaats van dit drassig land, en niet zoo als tegenwoordig Grouw. Dit was toen slechts een arm dorp, door visschers kooikers en koemelkers bewoond, die, gebruik makende van eene natuurlijke hoogte of terp (*) zeer geschikt gelegen aan een vischrijken stroom en omringd door poelen en meren, hier alle gelegenheid voor hun bedrijf vonden ten einde in hunne benoodigdheden te voorzien. Want van de binnenlandsche groote scheepvaart hadden zij geen voordeel, die bestond er niet, dewijl er geene zeesluizen, geene zeedijken waren.” (E. Halbertsma, 1836)

Het is de vraag of deze beschrijving wel gaat over de periode voor de aanleg van de zeedijken of over de situatie van een veel latere periode.  

Bedijking brengt tijdelijk nieuwe voorspoed

De bedijking van de Middelzee, die vanaf de tweede helft van de 10de eeuw werd begonnen, heeft voor Grou en omgeving een bijzonder voordelige uitwerking. De hoge met een laagje klei bedekte veengronden leverden prima akkerbouw- en weidegronden op. Daardoor zal de welvaart van de agrarische gemeenschap sterk zijn toegenomen. Dit kan ook de grote stenen kerk verklaren, waarvan de bouw al in 1120 is begonnen.

 “Het in die tijd ontstane dorpsbewustzijn, en in groter verband de geboorte van de Grietenij ldaarderadeel, zal het mogelijk gemaakt hebben met gezamenlijke krachten een werk te volbrengen dat nu nog tastbaar aanwezig is: de Middelzeedijk. Deze dijk was noodzakelijk om de in de 11de eeuw tot zijn grootste omvang uitgegroeide Middelzee in te dammen.

De toegenomen welvaart is in de dorpen af te lezen aan de tufstenen  kerken die er verrezen. Het is helaas niet bekend of er eenvoudige, houten  voorgangers geweest zijn, wél dat zowel in Grou, Warten, Wergea als ldaard in de 12de eeuw een voor die tijd zeer kostbaar godshuis gebouwd werd. Alleen in Grou is dat nog te zien. De noordmuur van de  N.H. kerk aldaar en het halfronde koor geven de in die periode gebruikelijke versieringen in tufsteen weer.” (Bron: Haijtema, 1983)

Ook Halbertsma noemt, met enig ongeloof, deze toch vrij plotselinge welvaartsgolf.

“Maar diezelfde zee had op vele plaatsen den grond door herhaalde overstroomingen met eene vette slib of kleibodem overdekt, welke, nadat men zich door het aanleggen van zeedijken eenigermate beveiligd had, bebouwd en ontgonnen werd, waardoor zich aldra eene rijke bron van welvaart opende. Wanneer wij onze oude Geschiedschrìjvers mogen gelooven, dan zoude dit laatste vooral op Grouw toepasselijk zijn geweest: want Occo van Scharl verhaalt in zijne Kronyk (1597, fol. 31 verso) op het jaar 1230 dat “de landen te Grouw ende daer omtrent dese tijt meest zaetlandt waren, want vermits die goede waterlossíngen die se hadden, scheen het goed ende hooch Landt te wesen;” waarom er destijds vijf of zes smeden te Grouw zouden gewoond hebben, die de landbouwers nauwelijks genoeg ploegen en ijzerwerk konden bezorgen.” (E. Halbertsma, 1836)

De hoge veengronden waterden op een natuurlijke wijze af naar zee. Men hoefde slechts enige greppels en sloten te graven om dit land als akkerland bruikbaar te maken.

Het verlaagde midden verdrinkt  

De voorspoed van de 12de eeuw duurde maar kort. Het ontwaterde hoogveen zakt als een plumpudding in elkaar. Wat overblijft zijn lage veenmoerassen en hooilanden met een ligging onder gemiddeld zeeniveau. De waterafvoer wordt een steeds groter probleem. De vroege verveningen, hoewel nog heel plaatselijk en kleinschalig van aard, hebben daaraan uiteraard niet geholpen.

Deze grote verandering van het landschap rond Grou verklaart de veel minder positieve verslagen over de toestand van het land aan het begin van de 16de eeuw.  (zie: Ontginningen)

Oudste geschreven bronnen

Wie een speurtocht in de archieven onderneemt op zoek naar de oudste vermelding van dorpen in dit gebied komt terecht bij de levensbeschrijving van ene abt Jaricus. Na het overlijden van deze abt van het klooster Mariëngaarde bij Hallum omstreeks 1240, werd zoals gebruikelijk zijn levensloop keurig opgetekend. Daarbij kwamen een tweetal personen ter sprake die afkomstig waren uit Idaarderadeel: "Magistrum Thammonem natum de Growe" en "Thadeconis de Frenigge.” Wij maken kennis met Magister Thammo die geboren is in Grouw en met ene Thadeconis, afkomstig van Friens. (Haijtema, 1983)

Het dorp wordt in de dertiende eeuw voor het eerst aangehaald als Growe. Vanaf de 17de eeuw vind je Grou in 1664, maar ook al in 1450 als Grouwer(a)ga(e). Kaarten uit de 17de eeuw vermelden Grouwergae, maar de kaart met de Friese variant uit die tijd heeft Grow. Wellicht is de plaats al heel vroeg een belangrijk schippersdorp geweest. In een oorkonde met betrekking tot handel met Engeland komt in 1283 een schipper uit Gruwe voor. Het is echter nog de vraag of met die naam dit dorp of een ander is bedoeld. Tot het dorp behoren volgens een opgave uit de 19de eeuw de buurtschappen Guattum, Meinertsburen, Trijhûs en Siteburen. (Karel F. Gildemacher, 2007)

Hoe dit zijn moge en of wij niet meer gewigts mogen hechten aan het vermelde in Kempo Mantena’s Landboek fol. 67, waar de landen tusschen Grou en de Wolden in 1506 nog als lage moerassige gronden voorkomen, “die woest ende overheerigh laeghen,” en die met dijken en watermolens wel tot goed land dienden gemaakt te worden; terwijl ook uit het Beeneficiaalboek, fol. 108 blijkt dat er in 1514 om Grou nog Parcelen wiltland, reedmeren, leech ende gebroecken landen waren. (E. Halbertsma, 1836)

 

Kaart door Gerard Mercator gepubliceerd in 1585

Hoewel de ligging in het omringende ‘waterland’ dus alles behalve gunstig was, bleek Grou zich binnen de Grietenij Idaarderadeel toch als het duidelijke centrumdorp te hebben ontwikkeld, op de voet gevolgd door Roordahuizum, zoals blijkt uit de omslag van Hertogelijke belastingen in 1509.

Grouwergae                         55   fl

Roederhuysum                    45   fl

Warreghae                           40   fl

Wartena                               23   fl

Freens                                 22   fl

Hydaert                                 5,5 fl

Aeghum                                5,5 fl

Wersteens                            4    fl

Bron: Buijtenen, M.P. van ; De Grietenij Idaarderadeel; fa. F. Kamminga, Dokkum, 1947

Grou ontwikkelt zich als waterknooppunt

De sinds de 15de eeuw sterk verbeterde waterhuishouding brachten Grou in een sterkere positie.

“… dat, na het doorgraven van de menigvuldige meren en poelen tot geregelde vaarwaters, dit dorp, als in het midden van de Provincie gelegen allergeschiktst voor handel en scheepvaart werd bevonden. Deze vermeerderden aanmerkelijk, toen de wakkere Kaspar Robles het zoogenaamde Kornelsdiep liet graven, en daardoor de binnenlandsche scheepvaart tusschen Groningen en de Zuiderzee bevorderde, welke minder gevaarlijk en meerendeels met minder oponthoud vergezeld ging dan buitenom door de Wadden. Daardoor werd Grouw eerlang tot een der bloeijendste en welgelegenste dorpen van Friesland verheven. Én handel in landsprodukten, én scheepsbouw bragten hier rijkdom en welvaart aan. Dan de latere oorlogen met Engeland en de daarop volgende Fransche overheersching vernietigden den laatsten bijna geheel, en deden aan den eersten eene geweldige afbreuk". (E. Halbertsma, 1836)

Kaart door Metius Freitag gepubliceerd in1622

Maar ook andere ambachten bloeiden op. “Er ontstond hier omstreeks 1725 nog eene andere tak van nijverheid, ik bedoel het klokmaken, die hier zeer gebloeid heeft, maar thans door vreemde mededinging ook sterk verminderd is. De staande klokspeelwerken worden toch veelal vervangen door sierlijke en goedkoope Fransche pendules, en de geringe stand vindt elders minder kostbare, hoewel ook minder deugdelijke stukken en vanhier die verachtering van dien tak van nijverheid.”     (E. Halbertsma, 1836)

Het dorpsgebied van Grou ca 1850

Waterdorp bij uitstek

“Uit den aard der ligging van dit dorp moest volgen, dat al wat leeft varen moet. Kinderen van zeven en acht jaren beginnen reeds nette scheepjes als speeltuig aan te schaffen, en met vlugge zeiltjes te bespannen om te wedijveren, wie het snelste schip bezit. Op hun twaalfde jaar besturen zij reeds zeilbootjes; en hoe natuurlijk is dit daar in den wintertijd door den slechten staat van den eenigen kleiweg, die naar Grouw leidt, het dorp in een eiland herschapen wordt.” (E. Halbertsma, 1836)

Het dorp ca 1850 in Atlas Eekhoff

Bronnen

Buijtenen, M.P. van ; De Grietenij Idaarderadeel; fa. F. Kamminga, Dokkum, 1947

Haijtema, Haijte; Het Grijze verleden van Idaarderadeel; In: Dit was Idaarderadeel (Gemeentebestuur Idaarderadeel 1983)

Halbertsma, dr. E; Het dorp Grou 1836/Koninklijke Bibliotheek

Hoogland, C.J;  Geschiedenis van het dorp of vlecke Grouw; Reformatorisch Dagblad; 10 december 1986

Tuinstra, S.J. e.a. ; Een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven nabij de Piterkerk te Grou, gemeente Boarnsterhim, ARC-publicaties Groningen 2005